CURAÇAO NU. COM

Reisverhalen


 

Tentena

home


 

Activiteiten Archief

Geschreven

Op reis

 

 

 

 

 

 


 

De krokodil van Tentena (een reisverslag).
Voorwaar, Curaçao is  een mooi eiland. Toch is er altijd wel een aanleiding om het eiland te verlaten. De windstilte, de walm van de Isla, de regens of gewoon de wereld, die wenkt. Ditmaal gaat de reis, met dochter en vriend, naar Indonesië en Thailand. Onze uitrusting bestaat uit een berstensvolle rugzak en the lonely planet - de bijbel voor elke backpacker, het groot citatenboek voor de overnachting en het eten tegen een billijke prijs.Voor de goede orde, we zijn uiteraard geen gewone toeristen, die verzorgd en in collectief reizen. Backpackers gaan op reis, op avontuur, zij het zonder veel ervaring of oefening, dit keer! Waarover zal ik vertellen uit deze reis van drie maanden door Bali, Lombok, Sulawesi, Maleisie en Thailand? Over al die toeristen die ons op Bali voor de voeten lopen, waar we wandelingen maken over de dijkjes langs de sawah’s, de natte rijstvelden, plotseling een gamelan-muziekje horen en ons hart op hol slaat van vreugde om de oosterse klanken. Bali waar het krioelt van bar-  en strandlief hebbers, bont  uitgedost in rafelige shorts en T-shirts of met gouden haren, zoals zo vele jeugdige Japanners. Maar ook het eiland, waar men ontsnappend aan de shoppende meute tussen de palm- en bananenbossen  verscholen,  boven op de heuvels of in de rotsen Hindoe-tempels kan vinden. Daar wemelt het nog immer van  stenen goden en vruchtbaarheidsgodinnen. En overal staan er op verhoginkjes schaaltjes met bloemkelken en blaadjes, water en wierookstaafjes. Elke dag weer wordt ook het woonhuis zo (in)gewijd,  het leven gevierd. Terwijl ik schuil voor de regen in een nis van de bergwand, komt een vrouw naarboven, hurkt bij een boom, plast onder haar sarong en vervolgt de treden van de steile trap omhoog - naar de hemel.

Of zal ik verhalen van het bezoek aan het Sasak-dorpje in het noorden van Lombok, dat van de Unesco een waterleiding heeft gekregen en nu als cultural heritage - o, oh Willemstad - in oude staat met zijn houten familiehuizen en wanden van gevlochten matten, oude mannen met oogaandoeningen en zogende jonge moeders een levende bezienswaardigheid vormt. Waar ik de gids in het dorp vertel dat ik al op school leerde en droomde  van de zwartdragende Sasak-cultuur: a dream came true. En dat terwijl ik toentertijd geen flauw idee had dat zulke dorpen bereikbaar zijn met een busje - een bemo - voor negen personen, dat gemakkelijk wordt volgestouwd met dertig tot veertig mensen. Ze zijn klein van stuk, de mensen van daar, toegegeven, maar toch. Een ware oefening in het op- en ontvouwen van de eigen ledematen. Het giechelende gesprekje met jonge meisjes ontbreekt bijna nooit.

Nu u weet hoe het vervoer aanvoelt, steken we over naar het veel armere eiland Lombok. Op de ferry draperen de passagiers zich al gauw als dweilen over stoelen, tafels, kisten voor reddingsmateriaal en over het ijzeren ribbeldek. Men probeert ons nog voor een speciale toeristenprijs een lokale krant aan te smeren. De kip is de onafscheidelijke kameraad van de Indonesiër onderweg. In veelvoud is zij op het dek vertegenwoordigd, vaak in een parmantig om het lijf gedragen mandje van vlechtwerk. Als op zee de lange deining met witte koppen de veerboot ruw doet dansen, kukelekuen de kippen om het hardst  Uit de regenwolken doemt de bergachtige kust van Lombok op.  Want ook hier regent het, nu het natte seizoen aanbreekt. De kleine Hindoe-gemeenschap van Balinese oorsprong viert uitbundig feest bij volle maan en wij worden door onze gastheer wit-geel hindoe-verkleed met hoofddoek, sjerp en sarong om deel te nemen aan de grote ceremonie in een tempelcomplex. Een lokale Pythagoras verklaart waarom er zus- en zoveel torens, treden, terrassen en goden huizen in dit openlucht heiligdom. Dan vangt het zoemend zingen aan. Men wringt zich door nauwe uitgangen naarbuiten en keert naar huis in lange optocht.  De sierlijke en bloemrijke feestelijkheid onderscheidt zich  van het luidruchtig Sasak-besnijdenisfeest in een dorp verderop, waar wel negen jongetjes begeleid door hun zusjes  als prinsjes op houten paarden, gedragen door dansende mannen, worden rondgevoerd alvorens besneden en wel, huilend aan de borst van hun moeder hun pijn te dragen. Bloed kruipt waar het niet gaan kan, denk ik. We zijn een van de vierhonderd genodigden, de enigen van buiten de archipel.

Of zal ik vertellen van Sulawesi, het vroegere Celebes met het vroegere Makassar in de zuidpunt en Manado aan het noordpuntje, beide zo bedrijvige havensteden met vele herinneringen aan het verblijf van den Hollanders in hun forten en oud-koloniale huizen zoals we kennen van ‘ons’ Emmastad hier. Een, lijkt het wel, onmetelijk eiland tussen deze steden. Waar de wegen op lange strekken soms bestaan uit een dichte verzameling gaten onderbroken door reepjes asfalt of steenslag, goed voor urenlange busritten, hobbelend, bobbelend en bubbelend door vaak onbewoond, dichtbebost gebied zonder doorzicht, zonder einde. Maar met uiteindelijk de beloning van een betoverend plaatjeslandschap van rijstvelden en weggetjes omzoomd door veelkleurige bloemen, orchideeën en planten, cocospalmen en bananenbomen en achter de sawahs in de blauwende verte steil uit de vlakte oprijzende heuvels overdekt door tropisch weelderig groen.

Daar in het hartje van Sulawesi gaan in het landschap schuil de dorpjes van de Toradja’s met hun huizen op palen en fier naar de hemel bogende daken, boeg of steven van het schip dan wel horens van de zo vereerde en verzorgde karbouw, zoals men beweert. Een getaand mannetje van 75 jaar nodigt ons uit in zijn huis op palen, dat we via een ladder en een opening in de vloer binnengaan. In  vlekkeloos nederlands- uit het begin van deze eeuw - vertelt hij hoe zijn vader het eerste districtshoofd werd, nadat de Hollanders de altijd vechtende Toradja’s hadden gepacificeerd en gedwongen uit de bergen te komen om beneden in de vlakte dorpen te bouwen. En natuurlijk verschijnt ook weer de karbouw in zijn verhaal. De verering gaat zover dat de karbouwen bij het begrafenisritueel, dat we bijwonen, ter meerdere eer en glorie van de overledene en een goede reis naar het hiernamaals in grote getale worden geslacht. Daar liggen ze dan in de modder tussen de speciaal voor deze gelegenheid gebouwde houten huizen. Acht gevilde karbouwen, wit, ontdaan van hun huid. Een groot zwijn scharrelt er rond nog onbewust van zijn aanstaande lot. We drinken koffie met de notabelen in hurkzit, terwijl een mal wijfie ons gebak aanbiedt. Niet ver daarvandaan, geloof ik, zien  we voor het eerst in het dorpje Lemo de aangeklede poppen op de fameuze balkonnetjes hoog in de rotsen, uitbeeldingen van de doden, die zelf in de rotswand of soms buiten in een hangende kist zijn begraven.Galerij van onbeweeglijke beelden. Een wonderlijk gezelschap van levensechte figuren in  karakteristieke houding, zittend met pijp in de mond of haan op schoot. Elk jaar worden ze opnieuw gekleed in hun lievelingskleren. Het portret op de schoorsteen in een hollands huis haalt het niet bij deze in leven gehouden voorouders, die dagelijks onafgebroken op de levenden daarbeneden toezien. Bewakers van mens en dier, van sawah en heuvels. Hier bedrijft men geen kwaad ongemerkt. In het rijstveld beneden trekt een vrouw aan een draad, waaraan  ratelend blikwerk kriskras over de wijde sawah hangt om rijstpikkende vogels te verjagen. In het modderwater van de rijstveldjes schonen eenden het onkruid. In een houten hutje snijdt een man beeldjes uit hout.

Laat me tenslotte, voor ik het vergeet, in elk geval vertellen van de titel hierboven. Nog dieper naar het noorden, het land in, komen we aan in Tentena, een klein dorp aan het grote Posso-meer. Stil, vogel-stil en het water glad als in een teil. Aan de overkant de bergen, de wildernis, waar we op een dag een grot met een tros babyvleermuizen ontdekken. In de vroege ochtend maken we een wandeling naar een immens groot, goudkleurig Christusbeeld, dat desondanks bijna onvindbaar is tussen de woudreuzen. Daar dringen schoolmeisjes aan hun te fotograferen bij het beeld en later op een rots in het water. Een van hen zegt naar Java te gaan na haar schooltijd om theologie te studeren! Ze wil voor haar (christen)volk een leider worden. Als we ‘s middags in het water stappen om te gaan kanoën, roepen kwajongens ’pas op voor de krokodil’. Ik lach en vaar. Dat is een legende, zegt de indiase man van het guesthouse, terwijl we kijken naar een bloedrode, grijsgeel verkleurende zonsondergang over het zo stille meer. Een late visser boomt er zijn kano in de verte voorbij. Wanneer ik later, weer noordelijker, in het hotel van Alex in Gorontalo een boekje over nederlandse guerillavoering tegen de Japanners  uit de kast haal en opensla, valt mijn blik op een foto van een grote krokodil, geschoten op de kanoplek  in 1939, mijn geboortejaar. Gorontalo is trouwens een vredig stadje, dat met zijn talloze oud-hollandse huizen  echt ‘indisch’ aandoet. Alex zelf praat nog met een heerlijk indisch accent nederlands. Elke avond schuif ik op zijn verzoek aan op het voorterras om naar zijn verhalen over het hotel , zijn ouders en het voorbije ‘Indië’ te luisteren. De laatste avond troont hij me mee naar zijn antieke grammofoon en zet een baccelieten plaat op: Mozart. Door de laantjes draven paardjes hun passagiers in karretjes. Op de avondmarkt dampen de eetstalletjes met hun pedis maaltjes van gado gado, mie, nasi en pisang goreng.

Ons fietstochtje naar de waterval lijkt een lange zegetocht van een wielrenner onder een niet-aflatend ‘hallo mister’.  Als we stil houden voor een drankje verzamelt zich het dorp, vergaapt zich aan ons of voel ik ineens een hand die licht over mijn  arm strijkt als over de vacht van een dier. Alle huizen zijn langs de weg gebouwd, de weg is van huizen en tuintjes omzoomd. Een lint van bebouwing door velden en bossen. Onderweg stappen we af voor het observeren van een kingfisher aan de waterkant van de bergbeek. In het heetwaterbron- zwembad, vroeger niet meer dan een bron, verzekert Alex later,  herwinnen we na de klimpartij naar de waterval  de kracht in onze spieren voor de fietstocht naar huis. Als we wegfietsen, rent met ons mee nog honderden meters het jongetje van tien, dat in zijn nakie onze roepiahs uit het warme waterbad opdook onder het toeziend oog van zijn vader.

Op het eilandje Bunaken vlak ten noorden van Manado zeulen we onze rugzakken tot we bijna verdrinken in de neergutsende regen en een boer op een ossenkar ons verlost van onze last.  We soppen naar ons guesthouse aan zee. Wat doen we hier? Als bewoners van Curacao moeten en zullen we snorkelen en duiken boven  het bijna mooiste koraal ter wereld. We duwen de boot tussen de mangroven door buitengaats en varen uit naar de wonderbaarlijke plek - een oneindig rif van koraal in alle kleuren van de regenboog. Zag ik daar  zelfs een knipoog van een vissenoog? En voort gaat de reis. 

Derk Cools

 

Best Free Hit Counters
Website Counters
Website Counters