CURAÇAO NU. COM

 

Reisverhalen



 

U.S.A.
 (Mundo Cane)

home


 

Activiteiten Archief

Geschreven

Op reis

 

Ze vinden haar om tien over vijf in de namiddag. Een bundeltje hopeloosheid, halfverscholen in de schaduw van een yucca. Een zwarte doek bedekt het magere lichaam. Ze ligt met haar knieën opgetrokken. Aan één voet een versleten sandaal, de andere voet bloot en kapot.
Ze hebben haar spoor in het zand gevolgd. Er zijn meerdere sporen te zien, maar ze hebben het noordwaartse gekozen. “Ze lopen altijd naar het noorden”, zegt de sheriff. Maar na enkele mijlen is het spoor afgebogen naar het zuiden en ze vinden haar daar, waar ze haar eigen spoor heeft ontmoet. “Ja, ze beginnen altijd in een rondje te lopen, wanneer ze niks meer te drinken hebben”, zegt de sheriff. “Dit jaar zijn het al ruim twintig schepsels, die hier zijn omgekomen.” Hij schudt zijn hoofd, maar zit er niet mee. “Illegalen, ze moeten beter weten dan hier hun geluk te zoeken.”
“U bent uit Holland? Een prettige reis verder.” De sheriff en zes leden van de grenspolitie zwaaien me weg.

Een luide knal is de laatste knal die mijn kampeerwagen geeft. Ik laat me slepen naar een car sales place en ruil mijn rijdend huis in voor een grote zwarte auto, die plaats genoeg heeft voor het mobiele huishouden. Beddegoed, potten en pannen, kleding, schoenen, bestek, servies, eten, vouwtafel, vliegentent, klapstoelen, laptop, fotospullen, microwave. Al wat een mens nodig heeft voor een eenvoudig buitenleven.
Voort ga ik. De grote auto zoeft. “Een pimpmobiel”, zegt mijn amerikaanse vriendin. “It is a beauty”, zeggen andere Amerikanen. Overal verliefde blikken. “Neemt U mij niet kwalijk mevrouw dat ik zo kijk, maar het zo’n beauty!”

Het asfalt is heet en de plas lucht aan het eind van de weg laat zich niet inhalen. Achter me maakt de luchtspiegeling even veel mijlen als de auto. Koeien, overal koeien. Het land heeft geen grond onder de voeten en de beesten hangen als zwarte vlekken aan de eindeloze blauwe hemel. Duizenden donkere vlekken onder reeksen dunne witte wolken.
Aan de kant van de weg tel ik de dode beesten, amadillo’s, konijnen, hazen, vossen, herten en een wolf. Raven en gieren eten de resten en vliegen pas op als ik nader.

Zwaailichten waarschuwen me voor een onheilsplek. Een oude indiaan ligt languit op de weg. Een Navajo. Hij draagt een ribbon bloese en een zwarte spijkerbroek met veel zilveren knopen. Zijn armen liggen over zijn borst, in zijn handen houdt hij een turkooise ketting. Het is alsof hij bidt. De aanrijder is doorgereden, maar ach, het slachtoffer is maar een indiaan. “Stomme dronken indiaan,” zegt de sheriff. De oude man draagt zijn bandana. Hij was vast op weg naar een ceremonie. Daarbij hoort geen dronkenschap. Een man van de medische dienst gooit een doek over de dode indiaan en hij wordt met weinig ceremonie in de ambulance gehesen. The only good indian is a dead indian.

Op een wandeling ontmoet ik een echtpaar uit Seattle. Hij loopt op krukken, zij steunt hem. Beide kijken stralend en groeten me vrolijk. “Hij maakt weer een wandeling! We hadden nooit gedacht dat we ooit nog eens hier zouden lopen”, zegt de vrouw. Acht jaar geleden is hij aangereden door een dronken automobilist. De man heeft 40 dagen strafwerk gekregen.

Bij een Dairy Queen stop ik voor koffie. Een kleine beker, met eindeloze refill optie. De logica van de middel- en grootformaat beker met middel- en grote prijs ontgaat me. Bij de deur staan vier bejaarde heren, drie in uniform en één in western kledij met een gigantische witte hoed. Ze collecteren voor het veteranenfonds. Ik duw wat dollars in het blik. Eén van de militairen is een Navajo, een code talker, die me met graagte vertelt over zijn heldhaftig oorlogsverleden. Oorlog maakt helden. “Oh, U bent uit Holland? Daar hebben ze zware tijden gehad in die jaren. De heer links van me was bij de bevrijding van België.” “Maar ik was niet daar, ik was in Indonesië.” Twee van de heren hebben in een Japans kamp gezeten. “U ook?” vraagt de cowboy. Hij neemt zijn hoed af en maakt een buiging. “Maakt U zich geen zorgen mevrouw, ik heb vijfhonderd van die spleetogen neergeknald. Uw wraak is genomen. Maakt U zich geen zorgen.” Alsof de doden op te roepen zijn met doden.
Ik bedank de heren en stap naar buiten. Daar staat een Mexicaanse familie verliefd bij mijn auto. Ze knikken verlegen als ik de auto de unlock beep laat doen. “Hermosa!”, zeg ik en ze glunderen om mijn ene woordje Spaans. Ze verwachten genegeerd te worden.

Mexicanen leiden aan een identiteitscrisis, die al bestaat vanaf de Spaanse invasie. Afstammend van de overwinnende Spanjaarden en van de overwonnen Indianen.  Na de Amerikaans-Mexicaanse oorlog kwam daar nog eens het tweederangsburgerschap bij. Door de groei van de groep worden de problemen alleen maar heftiger. Latino mag, Chicano mag, maar liever niet. Mexicaan? Dat mag niet. Men noemt zich Hispanic. Ik las er vijfentwintig jaar geleden een boek over, Aztecs del Norte. “Nu heet het de USA, maar het is van Mexico afgepakt en eens zal het weer Mexico zijn. Van ons”, zeggen ze.

Cactussen, kale bomen, gele, roze, bruine en witte zandduinen. Overal cirkelen de gieren. Er is veel dood in de woestijn. Beelden uit de boeken van Karl May liggen voor het oprapen. “De boeken zijn aan te raden voor jongens, ter opvoeding en versterking van hun karakter” staat als aanbeveling in de oude uitgaven. Ja ja, kleine Adolf heeft ze verslònden en zie wat een karaktertje zich heeft ontwikkeld!

De dode coyote midden op de weg vertelt me dat ik bijna thuis ben. De duwwind van de auto doet zijn linkeroor flapperen. De grote bloedplas is niet van de coyote maar van een havelena die zich met een half afgehakte kop naar de kant van de weg heeft gesleept. Nog één stuk te gaan, veertig minuten rechtuit.

In het lokale cafe is het dorp verzameld aan een nieuwe, zeer grote tafel. Waldon heeft het blad gebracht, zodat de vaste klanten allemaal samen kunnen zitten aan ontbijt of lunch. De meestal verlegen man is vol praatjes, deze ochtend. “Ik heb al gevlogen vanochtend.” “Oh ja Waldon? Waar zat je, ik heb je niet horen overkomen.” “Boven de Floridas.” “Moet je daarvoor niet op 9000 voet zitten?” “Ja, want die bergen zijn ruim 8000 hoog, dus ik zat op 9000.” “Oh gelukkig”, zegt de vrouw van de medische urgentiedienst, “dat je op goede hoogte zat, want anders waren wij gebeld om je van de berg te komen schrapen.”
Waldon kijkt zijn disgenoten één voor één aan en gaat rechtop zitten, hij heeft een verhaal. “Ik moest as uitstrooien, van een weduwe. Ik had het nog nooit gedaan, zoiets. Ze gaven me een doos mee met de as. Maar ik heb nooit geweten dat het als grof zand is, en er zaten nog stukjes in ook. Ik draai het raam open en ik til de doos langzaam op en houdt hem buiten het raam. Ik haal de deksel van de doos en schud de inhoud er uit. Maar verdomme, het spul sloeg terug en zandschuurde mijn vliegtuig!!”
Alle aanwezigen barsten uit in originele vondsten om deze wraak van de weduwe te verklaren.

Langs de zandweg naar mijn huis, zitten vijf kleine mannen onder grote strohoeden. Ik knik ze toe, maar ze reageren niet en kijken strak vooruit. Ik zie in mijn spiegel dat ze de handen op de rug hebben. Geboeid. Gesnapt door de grenspolitie. Niet gehaald, dit keer. Ze blijven komen, door diepe geulen in de woestijn, op weg naar het Noorden, de American Dream.
Ik ben bijna thuis. De hond van de buren heeft er echt zin in en achtervolgt mij, woedend blaffend, tot in de tuin. Daar zit ik dan totdat de buurjongen zijn beestje komt halen. Ik ben ziek en vind mijn bed. Na drie dagen en nachten koorts, zweten en hoesten ga ik buiten zitten om in de zon te bakken. Ik zie nog net hoe het kleine, schattige, dappere konijntje, dat vele middagen aan mijn voeten lag onder de rozenstruik, gegrepen wordt door de valk die in de boom van de buurvrouw woont. De ogen wijdopen, houdt het zich doodstil, bungelend aan twee klauwen.
Eind goed, al goed?

F.C.

Best Free Hit Counters
Website Counters
Website Counters